Het strijkkwartet in de 20ste eeuw

UITDAGEND EN VERTROUWD: HET STRIJKKWARTET IN DE TWINTIGSTE EEUW

Michel Khalifa

Het strijkkwartet is het alfa en omega van de muziek (Hans Erich Apostel)
Met het strijkkwartet moet gestreden worden, vinnig en liefdevol (Wolfgang Rihm)

De hemelbestormers van de afgelopen zestig jaar wilden de operatheaters opblazen, het symfonieorkest grondig hervormen, soms zelfs radicaal met het verleden breken. In hun woede om het klassieke muzieklandschap te veranderen hebben de verschillende generaties avant-gardisten opvallend genoeg het strijkkwartet ongemoeid gelaten. Sterker nog, uitgesproken vernieuwers als Cage, Kagel, Stockhausen en Xenakis hebben allemaal geschreven voor een bezetting die lange tijd associaties opriep met pruiken en adellijke paleizen.
Het strijkkwartet blijft een uitdagend genre voor componisten van diverse pluimage en heeft daardoor alle muzikale revoluties overleefd. Hoewel het cliché van een hoffelijke samenspraak tussen vier beschaafde heren al lang achterhaald is, biedt het genre nog steeds een unieke combinatie van polyfone rijkdom en spel met de klankkleur. Métier en verbeeldingskracht zijn nodig voor componisten die het contrapuntische potentieel en de klankmogelijkheden van de zestien snaren willen uitbuiten. In die zin vormt het schrijven van een strijkkwartet nog steeds de ultieme proeve van bekwaamheid.

Dit verklaart wellicht waarom verschillende twintigste-eeuwse componisten zich op cruciale momenten in hun carrière aan het strijkkwartet hebben gewijd. Om drie voorbeelden te noemen: in 1908 gebruikte Arnold Schönberg het slotdeel van zijn Tweede Strijkkwartet, met sopraan, om de gewaagde stap naar de atonaliteit te maken (“Ich fühle Luft vom anderen Planeten”); veertig jaar later stapte de jonge Pierre Boulez met zijn Livre pour quatuor voor het eerst uit de invloedssfeer van de piano; in 1950-51 tenslotte trok Elliott Carter zich terug in de Arizona-woestijn om in alle rust aan zijn Eerste Strijkkwartet te werken, een retraite die zijn muziek voorgoed zou veranderen.

Hiermee verwant is de autobiografische lading van toonaangevende kwartetcomposities. De twee late bijdragen van Janáček aan het genre, Kreutzer-Sonate en Intieme brieven, vormen evenveel bekentenissen. Bergs Lyrische Suite verwijst eveneens naar het privé-leven van de maker. En dat terwijl het strijkkwartet tot het eind van de negentiende eeuw als bolwerk van de ‘absolute muziek’ gold.
Dat het medium zich bij uitstek leent tot min of meer expliciete ontboezemingen, blijkt ook uit het oeuvre van Sjostakovitsj, waarin vijftien symfonieën bestemd voor het grote publiek tegenwicht krijgen van evenveel naar binnen gekeerde strijkkwartetten. De gekwelde Rus behoort tot de selecte groep twintigste-eeuwse componisten die hun leven lang voor deze bezetting zijn blijven schrijven. Andere voorbeelden zijn Martinů, Bacewicz, Scelsi, Tippett en uiteraard Bartók, die veel kwartetliefhebbers als de waardige opvolger van Beethoven beschouwen.
Wat aantallen betreft, wordt Sjostakovitsj voorbijgestreefd door Villa-Lobos met zeventien stukken en door Milhaud, auteur van achttien kwartetten waarvan het veertiende en het vijftiende tot een octet ‘opgestapeld’ kunnen worden. Bij veel toonaangevende componisten is de teller op één (Stravinsky, Lustosławski, Dutilleux) of twee (Ives, Prokofiev) blijven steken.
Het aanhoudende succes van het strijkkwartet in de vroege twintigste eeuw heeft ook historische oorzaken, zoals de praktische noodzaak om naar kleine bezettingen terug te keren na de vernielingen van de Eerste Wereldoorlog. Binnen het neoclassicisme van de jaren twintig en dertig kon het strijkkwartet, directe erfgenaam van de Weense klassieken, zich moeiteloos handhaven. Nog belangrijker was de opkomst in de Duitstalige landen van hoogwaardige gezelschappen die zich op het eigentijdse repertoire toespitsten, zoals het Amar Quartett, met Hindemith op de altviool, en het Kolisch Quartett.

In de tweede helft van de voorbije eeuw werd de fakkel overgenomen door onder meer het Quatuor Parennin uit Parijs en het LaSalle Quartet, gevestigd in Cincinnati. Vanaf de jaren zeventig kwamen jongere gezelschappen op de voorgrond, zoals het Kronos Quartet uit San Francisco, dat zich aanvankelijk op het Amerikaanse minimalisme richtte, en het Arditti Quartet uit Londen, dat de confrontatie aanging met de complexe partituren van de modernisten.
Nederland doet volop mee met gespecialiseerde ensembles als het Mondriaan Kwartet, het onlangs gestopte Schönberg Kwartet en uiteraard het DoelenKwartet. Met zulke toegewijde pleitbezorgers wereldwijd heeft het eeuwenoude strijkkwartet een mooie toekomst voor de boeg.